Koldo Casla, VN-rapporteur voor geschikte huisvesting als onderdeel op een behoorlijke levensstandaard, reageert in een brief aan de Vlaamse regering op de strengere regels voor sociale huur. Die kunnen leiden tot sociale uitsluiting van de mensen die betaalbare huisvesting het meest nodig hebben.
De rapporteur is vooral bezorgd om de verstrengde taalvoorwaarden. Hij wijst er op dat het recht op huisvesting zonder enige vorm van discriminatie geldt, “ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, vermogen, geboorte of enige andere status.” Opzettelijk regressieve maatregelen zoals de taalvoorwaarde zijn volgens die visie niet verenigbaar met sociale huur.
Ook de voorwaarden rond lokale binding zijn een doorn in het oog. Deze regels houden in dat wie het afgelopen decennium ten minste 5 jaar onafgebroken in een gemeente woont, daar ook voorrang krijgt bij het toewijzen van sociale woningen. Voor mensen in bijzonder kwetsbare situaties zoals dak- of thuisloosheid is het een extra drempel om die lokale binding aan te tonen.
Hiermee onderschrijft de rapporteur de wooneisen van Woonzaak rondom een inclusieve sociale huurmarkt en het beëindigen van dak- en thuisloosheid.
Onderaan dit artikel lees je de Nederlandse vertaling van de brief van Koldo Casla. Een mogelijke reactie van de Vlaamse regering zal je in de toekomst via deze website van de Verenigde Naties terugvinden.
Excellentie,
Ik heb de eer mij tot u te richten in mijn hoedanigheid van Speciaal Rapporteur inzake adequate huisvesting als onderdeel van het recht op een behoorlijke levensstandaard, alsook inzake het recht op non-discriminatie in dit verband, overeenkomstig resolutie 61/16 van de Mensenrechtenraad.
Naar aanleiding van ontvangen informatie blijkt dat de toegang tot huisvesting in België, en in het bijzonder in Vlaanderen, in toenemende mate afhankelijk wordt gesteld van bepaalde institutionele en gedragsmatige vereisten die voor migranten en personen met een migratieachtergrond doorgaans moeilijker te vervullen zijn. Deze vereisten zijn vastgelegd in de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en de uitvoeringsregelgeving daarvan, met name het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Volgens de informatie die mij ter beschikking is gesteld, gelden er naast de inkomens- en vermogensvoorwaarden die in alle Belgische gewesten worden toegepast, in Vlaanderen ook taalvereisten. Deze bepalen dat een sociale huurder na één jaar huur van een sociale woning verplicht is een certificaat te behalen waaruit blijkt dat hij of zij een bepaald niveau van kennis van het Nederlands bezit.
Hoewel ik de inzet van de Vlaamse autoriteiten voor de bescherming en bevordering van de lokale en nationale taal respecteer, kan een dergelijk beleid, wanneer het wordt toegepast op het gebied van publieke ondersteuning bij huisvesting, daadwerkelijk leiden tot sociale uitsluiting en geografische segregatie.
Volgens de ontvangen informatie wordt eveneens een strikte voorwaarde inzake een langdurige lokale binding toegepast. Bij de meerderheid van de toewijzingen van sociale woningen wordt voorrang gegeven aan kandidaten die gedurende ten minste vijf van de afgelopen tien jaar onafgebroken in de gemeente hebben gewoond.
Ik erken het belang van beleid dat erop gericht is ervoor te zorgen dat bestaande lokale gemeenschappen toegang hebben tot betaalbare huisvesting. Dit beleid kan echter nadelig uitpakken voor mensen die in armoede leven, waaronder dakloze personen, die vaker verhuizen op zoek naar betaalbare en geschikte huisvesting en daardoor meer moeilijkheden ondervinden om een lokale binding aan te tonen.
Naar aanleiding van hun bezoek aan het land in 2025 heeft het Expertmechanisme ter bevordering van raciale rechtvaardigheid en gelijkheid in de context van rechtshandhaving geconcludeerd dat:
“Migranten in België zijn bijzonder kwetsbaar voor rassendiscriminatie en andere mensenrechtenschendingen door de ordehandhavingsdiensten en autoriteiten. Bovendien belemmert het ontbreken van wettelijke documenten de toegang van migranten in een irreguliere verblijfssituatie tot essentiële diensten, met ernstige gevolgen voor de uitoefening van hun mensenrechten. Gesprekspartners benadrukten dat migranten zonder papieren zich weinig bewust waren van hun rechten. De angst om geïdentificeerd te worden weerhoudt hen ervan om met overheidsinstellingen in contact te treden en eventuele gevallen van rassendiscriminatie waarvan zij slachtoffer zijn, te melden. Toegang tot huisvesting is bijzonder problematisch bij het ontbreken van de juiste documenten, hetgeen tot dakloosheid leidt.”
Opmerkingen op basis van het internationaal mensenrechtenrecht
Zoals de voormalige Speciaal Rapporteur inzake het recht op huisvesting, Raquel Rolnik, heeft vastgesteld:
“De verwezenlijking van het recht van migranten op adequate huisvesting wordt vaak belemmerd door een reeks factoren, zoals marginalisering en intolerantie, inadequaat huisvestingsbeleid of een ontoereikende dekking van sociale huisvestingsprogramma’s, culturele barrières en obstakels die verband houden met de juridische status van migranten.”
Meer recent heeft mijn onmiddellijke voorganger, Balakrishnan Rajagopal, zijn bezorgdheid geuit over het feit dat:
“migranten die geen toegang hebben tot sociale huisvesting vaak terechtkomen in overbevolkte en vervallen wijken, wat segregatie en uitsluiting alleen maar verder versterkt.”
Krachtens het internationaal mensenrechtenrecht zijn overheidsautoriteiten verplicht om “het maximum van de beschikbare middelen” waarover zij beschikken te gebruiken “met het oog op het geleidelijk tot volledige verwezenlijking brengen” van het recht op adequate huisvesting en van andere economische, sociale en culturele rechten (ESCR; artikel 2, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten – IVESCR).
Overheidsautoriteiten zijn verantwoordelijk voor het aantonen dat zij het meest “passende” beleid invoeren en hun middelen op de meest strategische wijze toewijzen om het recht op adequate huisvesting geleidelijk te verwezenlijken.
Van hen wordt verwacht dat zij “zo snel en doeltreffend mogelijk vooruitgang boeken” bij het verbeteren van de uitoefening van het recht op huisvesting door de bevolking. Bijgevolg wordt ervan uitgegaan dat opzettelijk regressieve maatregelen in beginsel niet verenigbaar zijn met sociale rechten.
Om te voldoen aan de mensenrechtennormen moeten aanpassingen van overheidsbeleid die kunnen leiden tot een vermindering van de bescherming van het recht op huisvesting en andere economische, sociale en culturele rechten, tijdelijk, noodzakelijk en evenredig zijn. Zij moeten worden vastgesteld na een daadwerkelijke raadpleging van de personen die het meest door deze maatregelen worden getroffen, mogen niet discriminerend zijn, moeten bijdragen aan het verminderen van ongelijkheden en moeten waarborgen dat de rechten van de meest achtergestelde personen niet onevenredig worden aangetast.
Staten moeten zich ertoe verbinden ervoor te zorgen dat het recht op huisvesting en andere economische, sociale en culturele rechten zonder enige vorm van discriminatie worden uitgeoefend, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, vermogen, geboorte of enige andere status (artikel 2, lid 2, IVESCR).
Zoals het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten (CESCR) heeft aangegeven in zijn Algemene Opmerking nr. 20, zijn economische, sociale en culturele rechten “van toepassing op iedereen, met inbegrip van niet-onderdanen, waaronder onder meer vluchtelingen, asielzoekers, staatlozen, migrerende werknemers en slachtoffers van internationale mensenhandel, ongeacht hun juridische status en identiteitsdocumenten.”
Het CESCR definieert discriminatie in de context van economische, sociale en culturele rechten als:
“elk onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, of enige andere ongelijke behandeling die rechtstreeks of indirect gebaseerd is op een verboden discriminatiegrond en die tot doel of gevolg heeft dat de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van het recht op adequate huisvesting en andere economische, sociale en culturele rechten wordt tenietgedaan of aangetast.”
Het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen stelt het beginsel vast van een zo gunstig mogelijke behandeling met betrekking tot de toegang van vluchtelingen tot huisvesting. Staten moeten vluchtelingen die rechtmatig op hun grondgebied verblijven “een zo gunstig mogelijke behandeling verlenen, die in geen geval minder gunstig zal zijn dan die welke onder dezelfde omstandigheden aan vreemdelingen in het algemeen wordt verleend” (artikel 21, nadruk toegevoegd).
Hoewel staten redelijke, transparante en zorgvuldig ontworpen criteria mogen vaststellen om de toewijzing en verstrekking van hun sociale diensten, waaronder sociale huisvesting, te rationaliseren, vormen nationaliteit en migratiestatus op zichzelf geen voldoende grond om personen die onder de rechtsmacht van een staat vallen uit te sluiten van het genot van hun mensenrechten.
Een ongelijke behandeling die uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit of migratiestatus kan een ongerechtvaardigde discriminatie vormen, tenzij de redenen die deze ongelijke behandeling rechtvaardigen bij wet zijn voorzien, een legitiem doel nastreven overeenkomstig het internationaal mensenrechtenrecht en noodzakelijk, redelijk en evenredig zijn in het licht van de specifieke omstandigheden.
Het is aan de staten om aan te tonen dat aan deze criteria wordt voldaan.
Ik ben van mening dat bij de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid ook moet worden onderzocht of en op welke wijze de nationale autoriteiten beleid voeren dat erop gericht is speculatieve praktijken in de huisvestingssector drastisch te beperken.
Meer specifiek zou ik willen weten of de nationale autoriteiten trachten de aankoop van residentieel vastgoed door buitenlandse investeerders — zowel natuurlijke personen als rechtspersonen — die niet de intentie hebben om in de betrokken lokale gemeenschappen te wonen, te beperken of te voorkomen, terwijl zij er niettemin toe kunnen bijdragen dat huisvesting in deze gebieden onbetaalbaar wordt.
Conclusies en aanbevelingen
Ik herhaal mijn oproep tot een gelijke uitoefening van het recht op adequate huisvesting, zonder discriminatie, voor alle migranten, ongeacht hun nationaliteit en administratieve of documentaire status, overeenkomstig het internationaal mensenrechtenrecht en het internationaal vluchtelingenrecht. Tevens roep ik op tot de invoering van mensenrechtengebaseerde benaderingen bij de analyse van het verband tussen migratie en huisvesting.
Het is de verantwoordelijkheid van staten om de nodige rechtvaardigingen te verstrekken voor overheidsbeleid dat de toegang tot huisvesting voor buitenlanders beperkt, ongeacht of zij over geldige documenten beschikken.
Deze rechtvaardigingen moeten worden geleid door de beginselen van wettigheid (met inbegrip van de naleving van het internationaal mensenrechtenrecht), redelijkheid, noodzakelijkheid, evenredigheid, transparantie en effectbeoordeling.
Ik roep staten op doeltreffende mechanismen in te voeren om discriminatie op grond van nationale afkomst of migratiestatus tegen te gaan, zowel bij de toegang tot private huurwoningen als bij de toegang tot sociale huisvesting.
Aangezien het, krachtens het mandaat dat mij door de Mensenrechtenraad is toevertrouwd, mijn verantwoordelijkheid is om uw medewerking te vragen teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de gevallen die onder mijn aandacht zijn gebracht, zou ik de regering van uw Excellentie dankbaar zijn voor haar opmerkingen over de volgende punten:
1. Gelieve mij alle aanvullende informatie of opmerkingen te verstrekken met betrekking tot de hierboven vermelde bevindingen.
2. Gelieve alle aanvullende informatie te verstrekken over de mate waarin beleidsmaatregelen die de toegang tot huisvesting beperken op basis van migratiestatus, worden geleid door de beginselen van wettigheid (met inbegrip van de naleving van het internationaal mensenrechtenrecht), redelijkheid, noodzakelijkheid, evenredigheid, transparantie en beoordeling van de gevolgen voor bijzonder kwetsbare groepen.
Deze mededeling, als commentaar op wetten, regelgeving of beleidsmaatregelen die in behandeling zijn of onlangs zijn aangenomen, evenals elk antwoord dat van de regering van uw Excellentie wordt ontvangen, zal binnen 48 uur openbaar worden gemaakt op de website waarop de mededelingen worden gepubliceerd.
De mededeling zal vervolgens ook beschikbaar worden gesteld in het reguliere verslag dat aan de Mensenrechtenraad wordt voorgelegd.
Ik zou uw regering erkentelijk zijn indien zij deze mededeling op ruime schaal zou willen delen met parlementsleden en andere betrokken belanghebbenden, in het bijzonder nationale mensenrechteninstellingen en regionale autoriteiten.
Gelieve, Excellentie, de verzekering van mijn hoogste achting te aanvaarden.
Koldo Casla
Speciaal Rapporteur inzake adequate huisvesting als onderdeel van het recht op een behoorlijke levensstandaard, alsook inzake het recht op non-discriminatie in dit verband.