Hugo Beersman, woordvoerder Woonzaak
Precies een jaar na de veroordeling van het Vlaamse woonbeleid door het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) lanceerde Anders-voorzitter Frédéric De Gucht een revolutionair voorstel om de wooncrisis op te lossen: “Verkoop deel van sociale woningen aan private investeerders” (DM 19/03). Op het moment dat de huidige Vlaamse minister van Wonen een (erg bescheiden) aangroei van het aandeel sociale woningen in de woonmarkt in perspectief zet (met 2042 als horizon), klinkt zijn voorstel inderdaad wel erg ‘anders’. De vraag is of het ook iets oplost.
Op dezelfde dag stelde ‘Woonzaak’, een coalitie van meer dan zeventig organisaties die strijden voor een fundamenteel rechtvaardig woonbeleid, in haar jaarlijkse woonbarometer vast dat de urgentie en de draagwijdte van de Europese veroordeling nog onvoldoende in het woonbeleid doordringt. Vlaanderen werd namelijk niet veroordeeld omwille van een overschot aan sociale woningen, maar net aan een groot tekort. Al jaren slagen we er slechts met moeite in om 5% van de totale woonmarkt (en een kleine 20% van de huurmarkt) sociaal te verhuren, terwijl de doelgroep almaar groter wordt en een aandeel van minstens 14% van de totale woonmarkt op Vlaams niveau (en ongeveer 40% van de huurmarkt) nodig blijkt.
Met de oneliner “We moeten af van het dogma dat de overheid elke baksteen zelf moet bezitten om te helpen” stelt de Anders-voorzitter nu voor om voormeld aandeel i.p.v. te verhogen juist te verminderen met bijna 20% (dus tot ongeveer 4%), de opbrengst te gebruiken voor het aflossen van de gemeenteschulden en de daaruit voortvloeiende vermindering van rentelasten te gebruiken als huurpremies, die de woningzoekenden via de opbouw van een eigen kapitaalreserve in staat moeten stellen op termijn eigenaar te worden van hun woning. Ik vereenvoudig, maar dat is de essentie.
Het opiniestuk ontlokte mij spontaan de bedenking of het de uiting was van een manifest gebrek aan inzicht in de sector, dan wel een bewuste poging tot misleiding. Het geeft alvast blijk van een absoluut geloof in de werking van de markt, terwijl die werking, wat wonen betreft ernstig betwijfeld mag worden, zoals ook blijkt uit het opiniestuk van Clemens de Olde en Pascal De Decker over de woonfiscaliteit (DM 20/03). De aanjager van de huizenprijzen zijn niet de bakstenen, maar de grond. Die is schaars en locatiegebonden. Welke voorwaarden de Anders-voorzitter ook denkt te stellen aan de private investeerders die sociale woningen zouden kopen, die zullen altijd beperkt zijn in tijd, waarna de grond verder de speculatiedrift in de hand zal werken. Ik constateer in elk geval dat hij in het spoor loopt van de vorige minister van Wonen (huidig minister-president van de Vlaamse regering – Matthias Diependaele, n.v.d.r.), die de sociale woonsector tot stilstand bracht.
Dat de wooncrisis zich vooral uit op de private huurmarkt omdat het tekort aan sociale woningen de prijzen opstuwt aan de kwaliteitsarme onderkant daarvan, blijft gemakshalve onderbelicht bij wie rekent op de marktwerking en enkel aandacht heeft voor de eigendomsmarkt (meer dan 70%). Hoe de rechthebbenden op een sociale woning met hun huurpremie een kapitaalreserve zouden kunnen opbouwen met het oog op eigendomsverwerving is helemaal een raadsel voor wie beseft binnen welke inkomensgroepen de meesten van hen zich situeren (in de Leuvense woonmaatschappij beschikt meer dan 70% van de kandidaat-huurders over een jaarinkomen van minder dan 20.000€ en meer dan de helft van hen zelfs minder dan 10.000€).
Wil de overheid zich focussen op haar kernrol en de betaalbaarheid garanderen, zoals ook de Anders-voorzitter stelt, moet ze juist meer grip krijgen op de grondprijs in plaats van grondposities en de bijhorende sociale woningen te verkopen. Verder ben ik het overigens volkomen eens met de slotzin van Frédéric De Gucht: “Het is tijd voor de politieke moed om het roer volledig om te gooien”. In de andere richting dan wel graag!